Op een zeker dag was Laart in het centrum van Uilensteyn een wandeling aan het maken.
'Meneer, kunt u mij de Aluin-zegen opzeggen?', vroeg hij plotseling aan een toevallige passant.
'Pardon', reageerde de man verbaasd. 'De wat?'
'De Aluin-zegen,' antwoordde Laart en hij hief zijn baard.
'I-ik weet niet waar u het over heeft,' sputterde de arme man.
'U weet niet waar ik het over heb,' sprak de kabouter met afkeer in zijn stem, 'Meneer, ik heb het hier wel over de Aluin-zegen.'
De man staarde naar de lucht met zijn vinger aan zijn lip. Er sprak lichte paniek uit zijn blik. 'Nee...,' sprak hij na enige stilte. 'Nee, eerlijk het zegt me niets. De Aluin-zegen ...'
Laart staarde de man met een blik van minachting aan.
'Houdt u mij nu voor het lapje meneer. Ik heb het hier niet over iets bijzonder ingewikkelds. Ik vraag u niet een oplossing voor de hervorming van het politiek systeem te verzinnen. Ik vraag u simpel weg de Aluin-zegen uit te spreken. Iedereen weet toch wat de Aluin-zegen ...'
'Nee het zegt me niets.' De man begon nu geërgerd te worden. 'U bazelt maar wat. Ik heb nog meer te doen.'
De man wilde weg lopen, maar Laart hield hem tegen. 'Waar gaat u zomaar naar toe. Dat is niet zo netjes hè, zomaar weg lopen.'
'Ik heb nog meer...'
'Meneer, ik vraag me sterk af of u hier wel thuis hoort,' sprak Laart ernstig.
'En wat bedoelt u daar nou weer mee.'
'Volgens mij bent u een spion.'
'Een spion, ik, hoe komt u...'
'Als u de Aluin-zegen niet kent, bent u geen Nederlander, dan bent u een vreemdeling.'
'Ach meneer, houdt u toch op met uw Aluin-zegen. Ik ben in Uilensteyn geboren, ik...'
'Hoe heet u?'
'Jan de Wit.'
'Hmm,' sprak Laart, 'Hoe heet uw vader?'
'Piet de Wit, als je het weten wilt en nu...'
'En uw moeder?'
De man maakte een hopeloos gebaar. 'Maartje van Korstenbergen, geboren te...'
'Aha,' gilde Laart, 'Daar heb je het al. Van Korstenbergen, wat een belachelijke naam. Alleen buitenlanders kiezen zo'n naam. Omdat ze de taal niet snappen. Nederlanders zouden nooit...'
'Meneer,' sprak de man nu geërgerd, 'mijn ouders zijn allebei in Uilensteyn geboren. Ze hadden een bakkerij...'
'Ja, u heeft een goede dekmantel weten te creëren. Heel professioneel,' sprak Laart met een afkerig lachje. 'Maar daar trapt Laartje niet in. U komt vanmiddag bij mij een inburgeringcursus volgen.'
'Meneer, ik heb helemaal geen inburgeringcursus nodig, ik...'
'Anders zal ik u helaas het land uit moeten zetten,' sprak Laart koelbloedig en hij pakte de man stevig bij zijn arm.
'Meneer, u- u bent gek,' stotterde de man met het schuim op zijn lippen. 'Ik ben het zat, ik bel de politie.'
'De politie kan u niet meer helpen,' antwoordde Laart ongemoeid. 'Woont u trouwens niet aan het Uilenlaantje nummer 7?'
'I-ik eeh'
'Ik zal u en uw hele familie het land uit moeten zetten. Spionage kunnen we niet tolereren.'
'Meneer, ik...'
'Ik verwacht u vanmiddag om één uur met uw hele familie op het Laartpaleis.'
Die middag ging de bel en Addo deed open. Even later kwam hij met vermoeid gezicht de kamer van Laart binnen.
'Laart er staat een groepje mensen voor de deur. Ze hebben het maar over een inburgeringcursus en een Aluin-zegen.'
'Aha, de spionnen,' kakelde Laart. 'Ik kom er aan.'
'Laart, we zijn hier gekomen om te zeggen dat we het er niet mee eens zijn,' begon Jan de Wit.
'Ik luister,' antwoordde Laart kalmpjes.
'Je hebt niet het recht ons zo te behandelen. Ik vat het voorval van middag op als een belediging en dies meer, een ernstige bedreiging.'
'Jaa', piepte Laart.
'Ja,' ging de Wit verder. 'Mijn neef Wout hier is advocaat en wil even een hartig woordje met u spreken.'
'Kent u de Aluin-zegen', vroeg Laart, die zich nu tot Wout keerde.
'Meneer, de Aluin-zegen is mij onbekend en in het Burgerwetboek wordt nergens gerefereerd naar een dergelijk amendement als zijnde noodzakelijk voor het Nederlands burgerschap.'
'Goed, zullen we dan maar beginnen. Wie hebt u meegebracht?'
'Mijn vrouw Jannie,' sprak de Wit bedeesd, 'En mijn kinderen Bart en Marijke.'
'Goed,' sprak Laart, 'Ik zal de Aluin-zegen voorzeggen.'
'Welverdorie,' viel de Wit nu uit, 'Schei toch uit met die onzin. We komen hier niet voor de Aluin-zegen. U heeft ons bedreigd en we willen hier het één en ander recht zetten of anders zien we elkaar wel in de rechtszaal.'
Laart was even stil en staarde de man verbaasd aan.
'O,' sprak hij, 'Gaan we zo beginnen. Is dit uw dankbaarheid?'
'Dankbaarheid, waarvoor zou ik u dankbaar moeten zijn?'
'Waarvoor zou ik u dankbaar moeten zijn?' piepte Laart. 'Denkt u dat ik de Amersfoortse ben? Ik ga voor u tot het uiterste. In mijn eigen vrije tijd bied ik u een gratis cursus aan. Ik doe dit uit maatschappijbewustzijn. Uit medeburgerschap.'
'Ach houdt u toch op met die schijnheiligheid. Wij hebben hier toch niet om gevraagd.'
'Nee,' sprak Laart, 'Soms vraag je ergens niet om, maar zijn er goede medeburgers die u willen behoeden voor ernstige misstappen. Als ik u zie wegrijden in een auto en het is donker en uw lichten staan niet aan, dan hoor ik u daar toch als rechtschapen burger op attent te maken.'
'Meneer Wenksen, u haalt van alles door elkaar. Deze zaken kunt u niet met elkaar...'
'ALUIN HIER, ALUIN DAAR, ALUIN OVERAL!' schalde de kabouter, 'De Aluin-zegen. Nu u!'
De Wit zuchtte, keek naar de grond, naar Wout en toen naar zijn vrouw en kinderen.
'Aluin hier, aluin daar, aluin overal,' mompelde hij met zichtbare tegenzin. 'Nu tevreden?'
Laart was even stil.
'Tevreden,' sputterde hij, 'Nee, natuurlijk ben ik niet tevreden. Wat is dat nu voor vertoning. U moet het natuurlijk wel menen.'
'Alsjeblieft Laart,' zuchtte de Wit. Hij was ten einde raad. 'Aluin HIER, aluin DAAR, aluin OVERAL!'
'Het begint er al op te lijken,' reageerde de kabouter verrast. 'Nog iets meer volume en intonatie en u bent geslaagd! Nu met zijn allen.'
Jan keek zijn familie terneergeslagen aan. Het was hem duidelijk dat hier geen eer te behalen viel en hij wilde het liefst maar weer zo snel mogelijk naar huis.
'Goed,' zuchtte hij, 'Drie-twee-één...'
'ALUIN HIER, ALUIN DAAR, ALUIN OVERAL!' gilde de familie de Wit. Alleen Wout deed niet mee en sloeg zijn handen ten hemel.
'Prima,' sprak Laart, 'Dan is het nu tijd voor het examen.'
'Examen?' sputterde Jan de Wit tegen. 'Het is toch wel mooi geweest zo?'
'We gaan naar het gemeentehuis om daar de Aluin-zegen uit te spreken en te kijken of het geaccepteerd wordt door de raad.'
'Dit is de druppel Jan, ik ga naar huis,' sprak Wout woedend, en hij vertrok.
Jan zelf had een wazige blik voor zijn ogen en wist niets meer in te brengen. Zijn kinderen en vrouw keken hem angstig aan.
Die avond was er groot nieuws op TV-Uilensteyn.
'Een aanslag op de burgemeester en de gemeenteraad, is ternauwernood voorkomen. Verdachte Jan de W. en zijn vrouw en kinderen drongen rond twee uur de gemeentezaal binnen onder luid gekrijs. Aan het woord hebben we één van de beveiligers die met zijn kordate ingrijpen een drama wist te voorkomen.
'Ik zag een aantal mensen richting de gemeentezaal lopen. Ze keken al wat benauwd uit hun ogen. Er was juist een vergadering bezig, maar ze liepen gewoon naar binnen en begonnen te gillen. Iets met ALLAH HIER, ALLAH DAAR, ALLAH OVERAL.'
Bezorgde medeburger Laart Wenksen was toevallig ook aanwezig in het gemeentehuis, toen het voorval zich voordeed. Hij meende al eerder het idee gehad te hebben dat er iets niet pluis was met de familie de W. en dat ze mogelijk betrokken waren bij spionage of terroristische praktijken.'
'Addo, Addo,' gilde Laart vanuit de torenkamer. Het was zo'n drie uur 's nachts.
Addo zuchtte.
'Addo, komt u noch even boven,' schreeuwde Laart weer.
Uitgeput kwam Addo de kamer binnen. Laart lag in zijn bed, maar de dekens die met speciale riemen waren vastgebonden, lagen alweer volledig overhoop, zijn speciale baardkapje voor 's nachts was losgewoeld, zijn beker was omgevallen en ga zo maar door.
'Wat nu weer,' zuchtte Addo.
'Addo, Addo,' sprak Laart kinderlijk. 'Ik heb zo onrustig gedroomd vannacht.'
'Och Laartje,' betuttelde Addo, terwijl hij de dekens oppakte. 'Zal ik je bedje dan weer toestoppen en je kapje goed doen?'
'Ja, Addo Addo,' mormelde Laart.
Toen Addo aan alle eisen had voldaan, die nodig waren voor Laarts zeer betrekkelijke nachtrust, verliet hij de kamer weer. Halverwege de trap, begon Laart alweer onrustig te worden en te schreeuwen.
'Addo, Addo,' gilde hij.
Addo beklom de trap weer. 'Laart, ik heb je nu al tien keer opnieuw ingestopt vannacht. Kun je nu eens eindelijk gaan slapen.'
'Ja, maar Addo,' sprak Laart bedeesd. 'U hebt noch niet het verhaal, van het konijntje verteld.'
'Och, mensenkinderen Laart,' kreunde Addo. 'Dat stomme verhaaltje. Dat heb ik je al zo vaak verteld.'
'Ja, maar Addo, ik heb zo onrustig gedroomd,' lispelde Laart. 'U moet me het verhaal vertellen van het lieve konijntje, zo wit en wollig.'
'Laart, je hebt dat verhaal zelf verzonnen,' sputterde de vermoeide Addo nogmaals tegen. 'Het slaat helemaal nergens op en je kunt het ook lezen uit dat schriftje naast je bed.'
'Nee, nee Addo,' sprak Laart angstig en iel. 'U moet het vertellen, anders kom ik bij u in de kamer slapen.'
'Goed, goed,' zuchtte Addo. 'Eén keertje dan. En dan moet je niet beginnen dat je het nog een keer wilt horen.'
'Nee, Addo, nee,' antwoordde Laart verblijd en hij ging in de luisterhouding liggen.
'Er was eens een konijntje,' begon Addo, met vermoeide stem.
'Een konijntje,' herhaalde Laart. 'Ja, een konijntje.'
'Eeeh ja,' ging Addo verder. 'Een eeh heel lief konijntje.'
'En wit,' voegde Laart toe.
'Ja, en wit,' murmelde Addo.
'En wollig,' sprak Laart enthousiast.
'Ja, een eeh wit en wollig konijntje,' herhaalde Addo. 'En dat konijntje woonde in een bos.'
Laart krulde zich van plezier en stiette allerlei van de meest kinderlijke kreten uit.
'In dat bos woonde ook de Va,' ging Addo verder. 'De Va nu, was heel arm.'
'Ja!' gilde Laart.
'Zo arm zelfs, dat hij en zijn vrouw Annie, en zijn kinderen Guus en Karlies al drie maanden niet hadden gegeten.'
'Nee!' piepte Laart.
'En ook hadden ze al drie maanden niet gedronken.'
Addo schraapte zijn keel en zuchtte diep.
'Verder gaan, verder gaan,' kraaide Laart.
'Goed,' vervolgde Addo. 'Op een dag pakte de Va zijn geweer, om op jacht te gaan. Want het was winter.'
'Ja, winter,' sprak Laart gewichtig. 'En er lag sneeuw wel dertig meter hoog.'
'Precies ja!' antwoordde Addo. 'En hij had speciale schoenen aan waarmee hij heel goed kon lopen.'
'Nou en of!' kraakte Laart, die helemaal in het verhaal zat.
'Laart waar slaat dat nou op. Schoenen waarmee hij heel goed kon lopen,' zuchtte Addo.
'Verder gaan Addo,' sprak Laart geërgerd. 'Toen de Va...'
'Toen de Va bij de open plek aankwam besloot hij te rusten,' ging Addo lijdzaam verder. 'Plotseling zag hij in de verte een konijntje zitten.'
'Jaa!' schreeuwde Laart. 'Het witte konijntje.'
'Het was het witte konijntje,' vervolgde Addo. 'En hij zat in de zon. En hij knabbelde aan een stukje droge gerst.'
Laarts lip begon nu te trillen. Addo wist dat hij hier even een stilte moest inlassen.
'De Va pakte zijn geweer,' sprak hij verveeld. 'En richtte het op het konijntje.
'Nee, nee!' gilde Laart en hij schudde woest met zijn hoofd heen en weer. 'Niet doen.'
'Zijn vinger was aan de trekker en de haan bewoog.'
'Neeee!' kermde Laart en zijn lip trilde nog heviger.
'Toen zag de Va dat het konijntje hem aankeek. En het konijntje bleef zitten. En een traantje biggelde over zijn wang.'
Laart barste nu in huilen uit en Addo maande hem tot stilte met de belofte, dat het goed af ging lopen.
'En het traantje biggelde tot aan zijn wollige kinnetje en viel toen in de aarde.'
'Ja. In de aarde,' snifte Laart, terwijl hij zijn ogen afdroogde met zijn baardkapje.
'En op de plek waar het traantje de grond raakte,' vervolgde Addo. 'Groeide ineens een prachtige amandelboom. Vol met rijpe en warme amandelen.'
'Amandelen,' stamelde Laart.
'En de Va bedankte het konijntje en plukte alle amandelen en bracht ze naar zijn vrouw Annie en zijn kinderen Guus en Karlies.'
'Amandelen!' gilde Laart nogmaals.
'En de vrouw en kinderen waren heel blij. En ze richtten een feestmaal aan van de amandelen en ook met spek en ham en kaas dat ze toch nog in de kast hadden, maar per ongeluk over het hoofd hadden gezien.'
Addo zuchtte, terwijl Laart met fonkelende ogen in zijn bed nog enkele woorden lag te herhalen.
'Goed dan ga ik nu maar weer', sprak Addo en hij wilde de kamer verlaten.
'Nee, nee, de laatste zin nog,' gilde Laart.
'Ach Laart, het is zo wel weer mooi geweest,' kreunde Addo, bevangen door moeheid.
'Nee, anders moet u het nog een keer vertellen,' commandeerde Laart.
'Goed,' sprak Addo. 'Wat een vreugd was het bij de Va en Annie en de kinderen Guus en Karlies. Wat waren ze gelukkig. En het konijntje kwam bij hen wonen en ze leefde nog lang en gelukkig.'
Addo verliet snel de kamer waar Laart nog lange tijd ontroerd lag te prevelen.
Regelmatig stuurde Laart Addo erop uit om op zoek te gaan naar bijzondere drollen. Addo had de hele wereld al overgereist. Naar India om op zoek te gaan naar de versteende drol van een uitgestorven inheemse gepaardhoevige. Naar de noordpool om een ingevroren drol te zoeken van een Pintocopterix of naar de Sahara om de uitgedroogde Carcimenturions-ecroliet te vinden.
Vaak ging het ook om een strijd tussen Laart en de Lippentovenaar, die ook een fervent drollenverzamelaar was. Dankzij de spionagetor en een uitgebreid drollendetectienetwerk wist Laart hem altijd weer te slim af te zijn.
Nu had Laart zich er van verzekerd dat er ergens in de Himalaya op een uiterst onherbergzame en menselijkerwijs gezien onbereikbare rotspunt eens een bijzondere vogel langs zou komen om een drol te leggen. Die drol was uiterst zeldzaam en van onschatbare waarde. Samen met Addo trok hij naar de berg. Het was een vrijwel loodrechte steenkolom van zo'n 800 meter hoog, die in een gigantisch zwavelmeer lag, waar de meest afgrijselijke en giftige dampen uit opstegen. De top lag in een soort eeuwige wolk waar het voortdurend bliksemde en donderde en in de gehele omtrek van deze plek was sinds de schepping nog zelfs geen eiwit of mitochondrium gesignaleerd. Laart zwom zonder aarzeling door het zwavelmeer naar de berg, klom omhoog, bouwde er een buitengewoon krap en gammel hutje en liet Addo achter door hem in een biezen mandje omhoog te takelen.
Na drie maanden was de vogel nog steeds niet gekomen en Addo raakte door zijn proviand heen. Bovendien had zijn geduld het volledig begeven door het voortdurende natuurgeweld en begon hij zowaar weer eens naar het Laartlandgoed te verlangen. Laart belde eens per week met de Laartcom en zo ook stipt die avond om acht uur.
'Laart ik wil hier weg.', sprak Addo vermoeid en hij zuchtte diep. 'Die vogel zal hier nooit komen. Het is hier een verschrikkelijke plek waar alle dieren schuw van zijn.'
'Addo, u moet niet zo zeuren.', antwoordde Laart. 'U mag best eens wat meer vertrouwen tonen. Niet alles in het leven gaat over een leien dakje.'
'Laart hou nu toch eens op met die goedkope praatjes,'ging Addo hier op in. 'Dat van die vogel is nergens op gebaseerd. Je hebt er toevallig eens van gedroomd en …'
'Addo!'gilde Laart. 'Sommige dingen zijn gebaseerd op een diepe wijsheid en inzicht. Dat kunt u toch nooit begrijpen.'
'Ach, uiteraard ja,'mompelde Addo vermoeid.
'De dingen gaan nu eenmaal wel eens anders dan gepland,'ging Laart verder. 'Door de moesson heeft de vogel waarschijnlijk een andere route moeten nemen.'
Addo zuchtte diep.
'Als de lente komt zal hij zeker via de berg terugkeren.'
'Ja, vanzelfsprekend Laart,'murmelde Addo vermoeid.
'Ik zal een bol sturen om u op te komen halen,'sprak Laart onverstoord.
'Een bol?'vroeg Addo verschrikt.
'Ja, een bol,'antwoordde Laart. 'Een vliegende bol wel te verstaan.'
'Geweldig Laart.', kreunde Addo. 'Als ik hier maar snel weg ben.'
'Ja, dat is geen probleem,'sprak Laart. 'De vlucht duurt maar drie minuten.'
En zo gebeurde het dat Addo binnen enkele minuten een zoemend geluid hoorde naderen. Hij verliet het hutje. Op een klein plateautje was een met gravures bedekte koperen bol tot stilstand gekomen. Er knipperden allerlei lampjes en zeer langzaam klapte de bol in twee helften open, zodat er een ruimte zichtbaar kwam waar Addo in plaats kon nemen. Aarzelend stapte hij in en direct begonnen de helften tergend traag dicht te schuiven. Dit duurde al met al zo'n kwartier en des te meer tijd er verstreek, des te dieper drong het tot Addo door dat hij toch wel erg krap zat. Toen er nog maar twee centimeters te gaan waren klonk er een geluid alsof er iets lam draaide en stopte de procedure. Addo wachtte en wachtte en na vijf minuten klonk de stem van Laart door een luidsprekertje.
'Addo er gaat iets mis,'sprak hij bedaard. 'U moet even geduld hebben.'
'Laart,'kreunde Addo. 'Wat is dit in vredesnaam voor bedoening…'
'Rustig blijven Addo,'schreeuwde Laart, die aan de andere kant van de lijn met allerlei hendels en knoppen in de weer was. 'Het probleem is zo verholpen.'
Zo'n twintig minuten lang klonken er allerlei zoemende geluiden en piepjes in de bol en knipperden er her en der lampjes aan en uit. Uiteindelijk schoof de bol dicht en zat Addo volledig in zichzelf geklapt.
'Ik ga de opstartprocedure initialiseren,'schreeuwde Laart door de luidspreker.
'Geweldig,'kraakte Addo. 'Als je maar opschiet.'
De bol begon te schudden en te trillen, steeg enkele decimeters, tolde drie keer in de rondte, draaide om al zijn assen en plofte toen weer neer.
'Addo de kalibratie is niet helemaal in orde,'schreeuwde Laart weer, terwijl op de achtergrond allerlei alarmbellen en sirenes klonken.
'Laart, waar ben je toch in vredesnaam mee bezig,'riep Addo boos. 'Wat is dit voor onbeholpen experiment.'
'Addo, u moet vooral rustig blijven,'gilde Laart terug. 'U moet bij uw leest blijven. Bij uw leest!!!'
'Laart wat bazel je nou weer.'kraakte Addo. 'Ik zit hier volledig inééngevouwen. Ik kan nauwelijks ademhalen. Je kunt op deze manier geen mensen vervoeren…'
'Addo de vlucht duurt maar drie minuten.', wierp Laart erop in. 'U moet mij niet storen, want dat is levensgevaarlijk.'
Vervolgens verbrak hij de verbinding.
De daaropvolgende vier uur herhaalde zich onophoudelijk de procedure waarbij de bol ging trillen, draaien en tollen, uiteindelijk neerplofte, waarop een computerstem meedeelde dat de kalibratie mislukt was.
'Sorry Addo,'klonk het plotseling. 'Ik was vergeten een koers in te stellen voor de terugreis.
Addo was in inmiddels nauwelijks meer in staat een geluid voort te brengen. Al zijn energie en concentratie ging uit naar het in stand houden van zijn vitale lichaamsfuncties.
'Laaaart…', stiette hij uit alsof het zijn laatste adem betrof.
'Addo?'klonk het aan de andere kant van de lijn.
Addo bleef stil en ademde zwaar.
'Addo, de bol moet eerst een uur rusten,'riep Laart. 'Omwille van de energie balans, begrijpt u?'
Addo kreunde.
Ruim een uur later begon de bol te zoemen en steeg op. De vlucht duurde stipt drie minuten, waarbij we de letterlijke tijd in de lucht meten. De werkelijke reis duurde wel acht uur omdat de bol drie keer neerstortte, één keer door de Russische luchtmacht werd neergehaald en de laatste 30 kilometer over het Laartlandgoed rollend aflegde, omdat het Mannetje Hoer Afweersysteem anders in de war kon raken. Het duurde drie weken voor Addo weer teruggebogen was naar zijn oude formaat.
'Laart,'sprak hij bedachtzaam. 'Beloof me dat je nooit meer zo'n bol erop uitstuurt.'
Laart piepte wat en wiebelde en staarde om zich heen. 'Maar Addo, u bent toch helemaal zonder schrammetje, zonder vlek of rimpel aangekomen. Ik snap u niet waarom u nou zo moeilijk…'
'Laart, je zei dat de vlucht maar drie minuten zou duren,'sprak Addo boos.
'Ja', piepte Laart, 'Maar de vlucht zelve duurde ook maar…'
'De hele vertoning duurde een halve dag,'kookte Addo. 'En toen nog die onzinnige vijf uur dat de bol op de bodem van het poepmeer lag om af te koelen.'
'Ja, u moet het mij niet kwalijk nemen Addo,'sprak Laart met een iel stemmetje. 'Het was ook maar de eerst keer dat we zo'n vlucht uitvoerden. Komt tijd, komt raad.'
'Laart als het nou al een normaal voertuigje was,'sprak Addo, 'Dat zou al schelen. Maar zo'n stomme bol.'
'Goed, goed,'antwoordde Laart. 'Toevallig heb ik juist vanmorgen een nieuw model ontwikkeld in de vorm van een sarcofaag waar u precies in kunt liggen.'
'Laart,'kreunde Addo en hij boog zijn hoofd.
'U moet alleen wel drie minuten uw adem inhouden,'sprak Laart en hij verliet de kamer.
Op een dag ging Laart naar het Uilenbos om paddestoelen te plukken. In de vogelpost zag hij een man die rustig van het uitzicht stond te genieten.
'Goedendag,' sprak Laart uiterst vriendelijk. 'Zoekt u ook naar paddestoelen?'
'Hier? Nee!' antwoordde de man lachend.
Laart keek verbaasd op.
'Ik maak een wandeling met mijn hond,' sprak de man uiteindelijk. 'Hij staat daar te poepen.'
Laart staarde de man met grote ogen aan en zweeg.
'Ja, dat moet ook gebeuren hè,' grapte de wandelaar.
Laarts wenkbrauwen fronsten zich en hij bleef onbeweeglijk. De man werd er onrustig van, schraapte zijn keel, kuchte, sloeg zijn ogen neer en staarde wat naar zijn voeten. Toen hij opkeek zag hij dat Laarts positie niet veranderd was.
'Is er wat?' vroeg hij onzeker.
Laart zei niets.
'Waarom kijkt u zo?'
Laart bleef de man onbeweeglijk aanstaren.
'Zou ik er misschien langs mogen,' vroeg hij tenslotte, want Laart blokkeerde zijn pad in de opening van de vogelpost.
Laart reageerde niet, maar kneep zijn ogen vol minachting samen.
'Zou ik er misschien langs mogen!' herhaalde de man geërgerd en hij bewoog onrustig heen en weer.
De kabouter volgde hem met zijn ogen en maakte totaal geen aanstalten uit de weg te gaan. Uiteindelijk was de man het helemaal zat en hij wrong zich tussen Laart en de deuropening. De kabouter begon te schudden en te wankelen en met veel moeite wist de man rollend en glijdend naar buiten te komen. In de strijd had hij zijn beide schoenen en de hondenketting verloren en nu lag hij enigszins beduusd op zijn rug in een modderplas. Laart werd bevangen door razernij.
'Mij zomaar duwen hè!' schreeuwde hij, terwijl hij dreigend op de man afkwam. 'Een onschuldige zomaar aanvallen hè!'
De man krabbelde voorzichtig overeind en nam enige afstand terwijl hij zijn handen schoon probeerde te vegen aan de laatste paar droge plekjes op zijn vest.
'Die schoenen staan me niet aan,' schreeuwde Laart en hij pakte ze op en smeet ze in de plas.
De man was compleet van zijn stuk gebracht en keek waar zijn hond was. Laart had inmiddels de ketting opgeraapt en begon er vervaarlijk mee rond te zwaaien. In de verte zag de man zijn hond op de vlucht slaan.
'Die vogelpost staat me niet aan!' schreeuwde Laart en hij haalde uit met de ketting en versplinterde het houten bouwsel.
De arme wandelaar had intussen zijn schoenen uit de plas gevist en zette het op een lopen.
'Die berken staan me niet aan,' schreeuwde Laart en hij rukte enkele jonge boompjes uit de grond en smeet ze achter de man aan. Die werd wonder boven wonder niet geraakt, maar rolde van schrik een brandnetelveld in en verdween uit het zicht.
Laart schudde zijn hoofd, klopte zijn handen af en marcheerde naar huis.
'Addo, we gaan toneelstukjes doen,' riep Laart naar boven.
'Wat nu weer Laart,' riep Addo terug.
'Kom, kom, een beetje vaart m'n schaapje,' spoorde Laart aan.
Addo liep zuchtend de stenen wenteltrap af.
'Ik ben je schaapje niet,' mormelde hij.
'Kom op Addo, trekt u die jurk maar aan, u bent de prinses.'
'Laart, alsjeblieft,' wierp Addo er tegenin, 'Moeten we nu echt toneelstukjes doen. De vorige keer ...'
'Uh,' schreeuwde Laart, 'Geen commentaar, trekt u die jurk nu maar aan.'
Zuchtend deed Addo wat hem gezegd werd.
'Zo Esmeralda!' sprak Laart gewichtig.
Addo zuchtte.
'Ik zei 'Zo Esmeralda',' herhaalde Laart geërgerd. 'U hoort dan 'Ja, vader' te zeggen.'
'Ja, vader', zuchtte Addo.
'De tijd is gekomen...,' ging de kabouter verder, terwijl hij zijn ogen sloot en zijn baard in de lucht hief, '..., dat je een degelijke en oprechte man vindt. Een man van adel. Een man met een zuiver hart. En heldenmoed. En bravoure...'
'Ja, ja,' zuchtte Addo.
'Stil!' riep Laart en hij dacht even na. 'En ...'
'Van daden,' fluisterde Addo.
'Ja, van daden, ja,' riep de kabouter. 'Een man van daden! En van woorden.'
Het was even stil en Laart liep enkele rondjes, terwijl hij aan zijn baard plukte.
'Ik ga naar het buurland van koning Karel,' ging hij voort, 'Om te kijken of daar nog prinsen of ridders zijn.'
'O vader!' sprak Addo met een hoog stemmetje en hij zuchtte.
'Tot over vijf dagen, Esmeralda!' antwoordde Laart en hij pakte zijn schild en zijn zwaard en liep de deur uit.
'Eeh, Laart,' riep Addo hem verbaasd na.
De kabouter reageerde niet.
'Laart... Vader!' schreeuwde Addo.
'Wat is er Esmeralda!' gilde Laart van beneden.
'Eeh, waar ga je heen?' vroeg de bediende terwijl hij met veel moeite in zijn jurk de trap afliep. 'We speelden het altijd anders, toch!'
'Ik ga naar het buurland van koning Karel om te kijken of daar nog prinsen of ridders zijn!' antwoordde de kabouter droogjes. 'Wacht op me in de torenkamer!'
Verbaasd keek de bediende hem aan.
'Hup, naar de torenkamer,' herhaalde Laart en hij wees omhoog.
Uiteindelijk vertrok Addo mompelend en hoofdschuddend naar boven en keek vanaf daar hoe Laart beneden een bruine deken over zijn fiets legde en uiteindelijk hinnikend en galopperend in de verte verdween. Een moment later ging de bel.
'O nee toch!', kreunde Addo. 'Ik kan me zo niet vertonen.'
Met veel moeite wrong hij zich uit de jurk, rende naar beneden en opende de deur. Het was Laart.
'Waarom heeft u uw jurk niet aan?', gilde de kabouter. 'U moet wel in uw rol blijven hoor!'
Addo mompelde wat, vertrok weer naar boven en hees zich in de jurk. Hij zag Laart nog net in de verte verdwijnen.
Een moment later ging de bel weer. Addo keek radeloos om zich heen, deed zijn sluier recht en sjokte naar beneden.
Er stond een filmploeg voor de deur.
'Wij zijn van de televisie en nemen een kijkje bij de mensen thuis, wat ze aan het doen zijn. Mogen we even bij u aanschuiven?' sprak de reporter.
'Eeh, ik, eeeh,' stamelde Addo. 'Ik doe..., we zijn hier...'
'Esmeralda!' klonk het achter hem.
Verschrikt draaide de bediende zich om.
'U hoort in de torenkamer bij het spinnewiel te zitten,' schreeuwde Laart. 'U moet een touw spinnen waarlangs uw minnaar straks naar boven kan klimmen.'
'Laart, eeh, Vader,' kreunde Addo en hij keek hulpeloos om zich heen en wierp zijn armen in de lucht.
Laart staarde hem doordringend en met geheven vinger aan.
'Ik eeh, ik ga al,' stotterde de bediende uiteindelijk en hij vluchtte de kamer uit, de trap op.
Daarboven hoorde hij hoe Laart de filmploeg naar buiten werkte onder het uitkramen van zinnen als 'Esmeralda mag niet gestoord worden!' en 'Ik zal met jullie oprijden tot aan de grauwe heuvels'. De ploeg echter stapte verhaast het witte busje in, waarmee ze gekomen waren en stoven het terrein af.
'Spionnen, infiltrators!' gilde Laart en hij sprong op zijn fiets en zette hinnikend en wild zwaaiend met zijn zwaard de achtervolging in. Vanuit zijn torenkamer, zag Addo in de verte een spoor van stof,- en rookwolken ontstaan. Hij zuchtte diep. Gedurende drie dagen zat hij in eenzame isolatie in de toren. Iedere keer wanneer hij de jurk probeerde uit te trekken of naar beneden probeerde te gaan, ging de bel en weerhield hij zich er liever van. Hij bracht de meeste tijd slapend door.
'Bent u gek geworden of zo?' klonk het plotseling en Addo schrok wakker. Laart stond in de torenkamer.
'Ik eeh...,' stamelde de arme bediende. 'O, Vader, bent u terug?'
'Heeft u hier al die tijd zitten lanterfanten?' tierde de kabouter. 'De tuin moet geschoffeld worden. Het gras gemaaid. De afwas staat er nog van drie dagen terug. Overal ligt stof. Het ketelhuisje is nog niet gerepareerd.'
'Ja, ja,' antwoordde Addo verbouwereerd. 'Je was weg naar het buurland van koning Karel, weet je noch. Om...'
'Wat ijlt u nou?' schreeuwde Laart. ''Vader, bent u terug', 'Het buurland van koning Karel'. Denkt u dat ik gek ben, of zo?'
'We speelden toneelstukjes, Laart,' verweerde Addo zich. 'Je weet wel, dat jij de koning bent en ik...'
'U liegt!' gilde Laart. 'Hoe kunnen we nou toneelstukjes spelen, als ik er niet eens ben?'
'Ik ga al, ik ga al,' mompelde Addo en hij liep de kamer uit.
'En trek die malle jurk uit!' gilde Laart hem nog na.
Addo zuchtte diep.
'Addo', sprak Laart op een zonnige dag. 'Ik wil dat u vandaag het dak gaat stofzuigen.'
'Laart alsjeblieft,' zuchtte Addo. 'Wat is dat nu weer voor een zinloos plan. Niemand stofzuigt zijn dak.'
'Niemand stofzuigt het dak, niemand stofzuigt het dak,' piepte Laart met een bespottelijk stemmetje. 'En wat heb ik daar mee te maken.'
'Laart,' antwoordde Addo. 'Het is helemaal niet normaal om je dak te stofzuigen. Het is volkomen zinloos.'
'Die mensen Addo,' sprak Laart. 'Zijn gewoon dom. Ze beseffen niet hoeveel stof er op het dak kan liggen.'
'Ja, maar Laart,' wierp Addo erop in. 'Het is toch helemaal niet nodig om te stofzuigen. De regen en de wind…'
'De regen en wind kunnen ook niet altijd alles maar doen,' piepte Laart belerend. 'Bovendien is al dat stof giftig voor de natuur.'
'Laartje toch,' kreunde Addo radeloos. 'Stof is helemaal niet giftig.'
'Jawel', antwoordde Laart kordaat. 'Eet u graag stof?'
'Nee,' mormelde Addo.
'En denkt u dat een dier graag stof eet?' ging Laart verder.
'Nee,' sprak Addo geërgerd. 'Maar…'
'Ze eten het niet, omdat het giftig is.'
'Ach Laart.' zuchtte Addo.
Laart hief zijn baard in de lucht en sloot zijn ogen.
'Al dat stof dat door de wind in de lucht komt en door de regen in de natuur,' vervolgde hij. 'We moeten een voorbeeld stellen voor de omgeving.'
Addo sputterde nog even tegen, maar er viel verder weinig tegenin te brengen. Hoewel het verschil nauwelijks meetbaar was, stofzuigde Addo met gevaar voor eigen leven iedere week het dak, waarbij Laart streng controleerde of hij niet een hoekje oversloeg of vergat. Op een gegeven moment was hij het wel zo giftig zat, dat hij Oom Raaf inschakelde, die een stof,- schimmel- en stuifzandwerende laag op het dak aanbracht.
'Laart,' sprak Addo de morgen daarna. 'Ik wil dat jij vandaag het dak gaat stofzuigen.'
'Oké,' sprak Laart vrolijk en kinderlijk, en hij stond direct op en liep naar de kast om de stofzuiger te pakken.
'Huh?' riep hij ineens en hij streek door zijn baard en keek van Addo naar de stofzuiger en omgekeerd.
'Volgens mij klopt er iets niet?' concludeerde hij uiteindelijk, maar hij kwam er niet uit en vertrok naar het dak. Nadat hij daar zo'n tien minuten bezig was, klonk er ineens een luide kreet en kokend van woede kwam hij naar beneden zetten.
'Wat denkt u wel niet Addo,' schreeuwde hij. 'Mij het dak laten stofzuigen hé.'
'Laart, Laart, rustig maar,' probeerde Addo hem te bedaren. 'Je kunt toch wel tegen een grapje.'
'U drijft de spot met mij, Addo,' gilde Laart van woede. 'De spot. Dat kan ik niet tolereren.'
'Maar Laartje,' sprak Addo uiterst vriendelijk, omdat hij daar zo gevoelig voor was. 'Ik wilde je juist een verrassing laten zien.'
'Niks geen verrassing,' schreeuwde Laart. 'U gaat nu onmiddellijk het dak op, om het tweemaal te stofzuigen.
'Maar Laart, ik heb een stofwerende laag op het dak aangebracht,' wierp Addo hierop in.
'Stil met uw bespottelijke praatje,' sneerde Laart. 'U wilt er gewoon onderuit komen.'
'Nee Laart, heus. Er ligt een stofwerende laag.'
'Een stofwerende laag is helemaal niet mogelijk,' antwoordde Laart belerend. 'Het stof moet toch ergens liggen.'
'Ja, maar dus niet op het dak,' sprak Addo behoedzaam.
Laart werd stil en zette een vinger aan zijn lip. Hij tuurde omhoog en weer omlaag, streek door zijn baard en wees met zijn vinger in allerlei richtingen, terwijl hij woorden als 'dak' en 'stof' prevelde.
Plotseling werden zijn ogen groot en dreigend keerde hij zich naar Addo.
'Idioot,' gilde hij. 'Weet u wel wat u gedaan heeft?'
Addo keek vragend en radeloos om zich heen.
'Weet u wel wat dit betekent?' schreeuwde Laart verder.
'Eeeh, nee Laart,' stamelde Addo.
'Wat denkt u dat er gebeurd met dat stof dat op het dak valt?'
'Maar Laart, er kan juist geen stof meer op het dak vallen,' sprak Addo bedachtzaam.
'Nee, inderdaad,' tierde Laart. 'Dus wat gebeurt er met dat stof?'
Addo stond sprakeloos en hief zijn schouders.
'Dat rolt van het dak en valt op de grond,' raasde Laart.
'Nou Laart, dat is toch niks geen probleem,' zuchtte Addo.
'Niks geen probleem?' piepte Laart. 'U begrijpt er ook niks van. Dat is een natuurramp, als dat stof op de aarde komt. Dat stof is giftig.'
'Ach, jij met je giftig,' weersprak Addo.
Laart raakte echter steeds meer door het dolle heen en gebood Addo uiteindelijk het hele Laartlandgoed te stofzuigen. In overleg met Oom Raaf liet hij vervolgens een stof,- schimmel- en stuifzandaantrekkende laag op het dak aanbrengen.
Op een middag ging de bel bij een zekere familie.
'De bezorger van de Ahasveros en Lotgevallen wenst u een gelukkig nieuwjaar'.
'Meneer, komt u nu al weer met dat vervelende krantje', sprak de man die open deed.
'De bezorger van de Ahasveros, wenst u een gelukkig nieuwjaar,' klonk het opnieuw.
'Fijn', klonk het vanuit de deur. 'En als u nu zo vriendelijk zou willen zijn om…'
'Meneer,' sprak Laart, want het was Laart die aan de deur stond, 'Ik wens het u nog eenmaal…'
'Maar meneer,' sprak nu de man, 'U komt al drie weken achtereen met dat krantje aan de deur om een gelukkig nieuwjaar te…'
'Maar ik wens het u toch vriendelijk', sprak Laart op een belerende toon. 'U denkt toch niet dat ik u hier een beetje sta te bedriegen. U wilt mij toch niet verdenken van hoogverraad.'
'Nee, nee, nee,' sprak de man bedeesd, want hij wist met wie hij te doen had. 'Maar,… ik hoef dat krantje helemaal niet… ik…'
Laart bleef stil en stond met zijn ogen gesloten statig te wachten tot de man het krantje aan zou nemen.
De man aarzelde nog even, keek paniekerig in het rond en pakte toen het krantje aan.
Laart bleef zijn hand ophouden en hief zijn baard in de lucht.
'Maar meneer, alstublieft, ik heb u al zo vaak een bijdrage gegeven, ik…'
'De bezorger van de Ahasveros wenst u…'
'Meneer Wenksen, alstublieft, u komt iedere dag aan de deur. Ik raak er nog arm van.'
'Maar u krijgt toch de Ahasveros?' sprak Laart iel. 'De Ahasveros. Ik breng u iedere dag trouw de Ahasveros. U gaat daar toch niet een beetje zielig lopen doen. U gaat daar toch niet een beetje het zielige mannetje staan uit te hangen. Alsof dat u het zo arm hebt. En zo moeilijk…'
'Goed meneer, goed, hier hebt u uw geld,' viel de man hem in de rede, terwijl hij een muntstuk uit zijn broekzak haalde. 'Ik zeg mijn abonnement op en gaat u nu alstublieft weg.'
Hierop gooide hij de deur met een geweldige klap dicht.
Direct daarop ging de bel.
'Wat nu weer,' sprak de man, uiterst vermoeid.
'Kan ik u misschien interesseren voor een gratis abonnement op de Ahasveros en Lotgevallen.'
'Nee meneer, u kunt mij niet interesseren,' sprak de man, 'en als u nu zo vriendelijk zou willen zijn om weg te gaan, dan…'
'Ik zal u een stukje voorlezen uit de Ahasveros', sprak Laart onverstoorbaar.
Lieve Ahasveros,
Ik zit in groep vijf bij meester Kaars.
Laatst kwam meester Kaars binnenhollen.
Hij zij dat er een egeltje op het schoolplein zat.
Toen gingen we allemaal kijken.
Leuk hè?
Simone Janssen Daalen.
Nou Simone,
Inderdaad. Geweldig. De groeten.
Ahasveros
'Och meneer, ik smeek het u,' sprak de man terwijl hij door zijn knieën zakte en in snikken uitbarstte, 'Gaat u toch alstublieft weg uit mijn leven. Laat u mij toch alstublieft met rust.'
Laart las verder.
A.A.A.A.A.A,
(Aardige, aantoonbare, algemene, aardige, aardige Ahasveros,)
In de Ahasveros van drie weken terug, schreef iemand dat hij een kikker had gevonden in de winter. Maar dat kan helemaal niet, want volgens mijn vader slapen kikkers in de winter onder de sloot. En hij schreef ook vondt met dt, maar mijn vader vind dat je dat met een d moet schrijven.
Rimco de Wit
Dag Rimco,
Nou, gefeliciteerd. Ja, nou, inderdaad. Precies. Onder de sloot. Uiteraard.
Nou de groeten.
Ahasveros
'Goed, goed, het is al goed,' schreeuwde de man hysterisch. 'Ik neem dat abonnement wel. Ik neem het dan wel. Als u maar verdwijnt.'
Laart keek de man uiterst verbaasd aan.
'Maar meneer,' sprak Laart met dreigende toon. 'U denkt toch niet dat ik gek ben? U denkt toch niet dat ik me zo laat afschepen. U denkt toch niet dat u mij zo kunt behandelen. Door zo raar te gaan schreeuwen.'
De man werd akelig wit en stil.
'Vindt u dat nou normaal?' vroeg Laart minachtend. 'Ik doe hier mijn uiterste best en u behandeld mij als een stofdoekje. Als een papiertje.'
'Nee meneer, zo bedoel ik het niet, alstublieft…'
'U behandelt mij als een leeg pakje karnemelk. Als een vlies behandelt u mij.'
'Ja, ja,' hikte de man.
'Gaat u maar eens over uzelf nadenken,' vermaande Laart. 'Over hoe u bent en hoe u doet tegen andere mensen. Mensen van vlees en bloed.'
Laart was nog wel twee uur in gesprek met de man die overigens diezelfde dag nog verhuisde naar Schiermonnikoog.
Op een dag vond Laart een mug die in een erbarmelijke toestand verkeerde.
'Addo, Addo,' gilde hij. 'Ik wil dat u nu onmiddellijk de Laartmobiel klaarmaakt'.
'Wat nu weer!' steunde Addo.
'Addo, we gaan naar de dierenarts!'
'De dierenarts! Maar Laart, waarmee dan, we hebben niet eens dieren!' wierp Addo er tegenin.
'Ik heb nu geen tijd om met u in discussie te gaan,' schreeuwde de kabouter. 'Voortmaken!'
Addo rende naar de garage en reed de Laartmobiel voorzichtig naar buiten. Inmiddels had Laart de mug in een vochtig watje gelegd. Het watje duwde hij in een lucifersdoosje. Het lucifersdoosje in een leeg jampotje, wat hij tenslotte temidden van oude kranten, stro en piepschuim in een grote kartonnen doos stopte.
Wild gebarend rende hij naar de Laartmobiel en nam plaats naast de bediende.
'Rijden, rijden!' schreeuwde hij!
'Maar Laart, wat is er dan aan de hand?' vroeg Addo.
'Sneller, sneller!' gilde die.
Addo zette de mobiel in beweging en scheurde het landgoed door terwijl de zenuwachtige kabouter naast hem alsmaar 'sneller', 'harder' en 'rijden' schreeuwde.
'Maar wat zit er dan in die doos?' probeerde Addo nogmaals, terwijl ze langs het hekje, aan de andere kant van het landgoed, Uilensteyn inreden.
'Stil, Addo Grabbo!' gilde Laart. 'U moet zich concentreren op de weg!'
Addo zuchtte.
'Parkeren!' commandeerde de kabouter toen ze de praktijk naderden, en hij trok aan de handrem zodat de Laartmobiel tollend en gierend precies voor de deur tot stilstand kwam. Vlug sprong hij naar buiten en stoof met de doos de wachtkamer door, de behandelruimte binnen.
'Dit is een noodgeval!' gilde hij.
'Meneer!' kuchte de dierenarts verbaasd. Hij had zojuist een kameleon ingeënt tegen rode hond en de waterpokken. 'Eén momentje.'
Hij zette de verdoofde kameleon in een plant in het venster.
'En wat hebben we hier?' sprak hij gewichtig.
Laart had de doos inmiddels op de behandeltafel gezet.
'U moet hem redden! U moet hem redden!' stamelde hij, terwijl hij zenuwachtig trappelde en in de rondte keek.
De dierenarts zette zijn bril op, opende de doos en keek Laart onderzoekend aan.
'Het potje, het potje!' lispelde de kabouter terwijl hij naar de doos wees en trillend een vinger aan zijn lip zette.
De arts grabbelde tussen het stro en vond het potje.
'Meneer, u houdt mij toch niet voor de gek, hè?' vroeg hij, terwijl hij Laart doordringend aankeek.
'Openmaken! Snel!' antwoordde de kabouter trappelend.
De arts opende het potje en haalde het lucifersdoosje eruit.
'Openmaken!', gilde Laart weer.
De arts opende het doosje, haalde het watje eruit en zuchtte diep.
'En wat denkt u, dat ik moet beginnen met drie poten en een verschrompeld achterwerkje?'
'Opereren!' gilde Laart.
'Meneer, ik heb nog meer te doen vandaag,' antwoordde de dierenarts geërgerd en hij nam de overblijfselen en hield ze voor de kameleon die het met een snelle beweging van zijn tong inslikte en opvrat.
Laart viel flauw en met veel moeite wist Addo hem in de auto te manoeuvreren en naar huis te brengen. Daar bleek hij alles al weer vergeten te zijn.
Toen de artsen meedeelden dat er geen sprake meer was van vruchtwater, maar enkel van meconium, vonden zij het de hoogste tijd om de geboorte in te leiden. Moeder Ursula slaakte enkele woeste kreten en zoals papa Ubbo later vertelde werd Laart aan zijn baard naar buiten getrokken. Hij kon tevens praten en voerde het hoogste woord. De ouders hadden daarom hoge verwachtingen.
Toen hij een jaar of drie was, deden ze verstoppertje in het bos. Ubbo kon Laart nergens vinden. Twee dagen later vond hij hem achter een boom. Laart zag er totaal verwilderd uit. Hij droeg een kabouterpakje, had puntoren en een zwart gat in zijn baard. Het is nog steeds een raadsel hoe Laart deze metamorfose heeft ondergaan. Laart praat inwaarts, dat wil zeggen, hij praat terwijl hij inademt.
In het Laartpaleis woont ook de Huurbroeder, door Laart steevast Addo Grabbo genoemd. Hij is de persoonlijke verzorger van Laart. Voorheen deed hij zware arbeid in de haven en toen Laart hem daar op een dag het aanbod deed of hij bediende wilde worden in zijn paleis, leek hem dat wel wat. Nu zit hij middels een merkwaardig contract tot voorgoed verbonden aan deze taak. In feite is hij maar iets ouder, maar het verzorgen van Laart vergt zoveel energie dat hij al grijs en verrimpeld is.