'Addo, Addo,' gilde Laart vanuit de torenkamer. Het was zo'n drie uur 's nachts.
Addo zuchtte.
'Addo, komt u noch even boven,' schreeuwde Laart weer.
Uitgeput kwam Addo de kamer binnen. Laart lag in zijn bed, maar de dekens die met speciale riemen waren vastgebonden, lagen alweer volledig overhoop, zijn speciale baardkapje voor 's nachts was losgewoeld, zijn beker was omgevallen en ga zo maar door.
'Wat nu weer,' zuchtte Addo.
'Addo, Addo,' sprak Laart kinderlijk. 'Ik heb zo onrustig gedroomd vannacht.'
'Och Laartje,' betuttelde Addo, terwijl hij de dekens oppakte. 'Zal ik je bedje dan weer toestoppen en je kapje goed doen?'
'Ja, Addo Addo,' mormelde Laart.
Toen Addo aan alle eisen had voldaan, die nodig waren voor Laarts zeer betrekkelijke nachtrust, verliet hij de kamer weer. Halverwege de trap, begon Laart alweer onrustig te worden en te schreeuwen.
'Addo, Addo,' gilde hij.
Addo beklom de trap weer. 'Laart, ik heb je nu al tien keer opnieuw ingestopt vannacht. Kun je nu eens eindelijk gaan slapen.'
'Ja, maar Addo,' sprak Laart bedeesd. 'U hebt noch niet het verhaal, van het konijntje verteld.'
'Och, mensenkinderen Laart,' kreunde Addo. 'Dat stomme verhaaltje. Dat heb ik je al zo vaak verteld.'
'Ja, maar Addo, ik heb zo onrustig gedroomd,' lispelde Laart. 'U moet me het verhaal vertellen van het lieve konijntje, zo wit en wollig.'
'Laart, je hebt dat verhaal zelf verzonnen,' sputterde de vermoeide Addo nogmaals tegen. 'Het slaat helemaal nergens op en je kunt het ook lezen uit dat schriftje naast je bed.'
'Nee, nee Addo,' sprak Laart angstig en iel. 'U moet het vertellen, anders kom ik bij u in de kamer slapen.'
'Goed, goed,' zuchtte Addo. 'Eén keertje dan. En dan moet je niet beginnen dat je het nog een keer wilt horen.'
'Nee, Addo, nee,' antwoordde Laart verblijd en hij ging in de luisterhouding liggen.
'Er was eens een konijntje,' begon Addo, met vermoeide stem.
'Een konijntje,' herhaalde Laart. 'Ja, een konijntje.'
'Eeeh ja,' ging Addo verder. 'Een eeh heel lief konijntje.'
'En wit,' voegde Laart toe.
'Ja, en wit,' murmelde Addo.
'En wollig,' sprak Laart enthousiast.
'Ja, een eeh wit en wollig konijntje,' herhaalde Addo. 'En dat konijntje woonde in een bos.'
Laart krulde zich van plezier en stiette allerlei van de meest kinderlijke kreten uit.
'In dat bos woonde ook de Va,' ging Addo verder. 'De Va nu, was heel arm.'
'Ja!' gilde Laart.
'Zo arm zelfs, dat hij en zijn vrouw Annie, en zijn kinderen Guus en Karlies al drie maanden niet hadden gegeten.'
'Nee!' piepte Laart.
'En ook hadden ze al drie maanden niet gedronken.'
Addo schraapte zijn keel en zuchtte diep.
'Verder gaan, verder gaan,' kraaide Laart.
'Goed,' vervolgde Addo. 'Op een dag pakte de Va zijn geweer, om op jacht te gaan. Want het was winter.'
'Ja, winter,' sprak Laart gewichtig. 'En er lag sneeuw wel dertig meter hoog.'
'Precies ja!' antwoordde Addo. 'En hij had speciale schoenen aan waarmee hij heel goed kon lopen.'
'Nou en of!' kraakte Laart, die helemaal in het verhaal zat.
'Laart waar slaat dat nou op. Schoenen waarmee hij heel goed kon lopen,' zuchtte Addo.
'Verder gaan Addo,' sprak Laart geërgerd. 'Toen de Va...'
'Toen de Va bij de open plek aankwam besloot hij te rusten,' ging Addo lijdzaam verder. 'Plotseling zag hij in de verte een konijntje zitten.'
'Jaa!' schreeuwde Laart. 'Het witte konijntje.'
'Het was het witte konijntje,' vervolgde Addo. 'En hij zat in de zon. En hij knabbelde aan een stukje droge gerst.'
Laarts lip begon nu te trillen. Addo wist dat hij hier even een stilte moest inlassen.
'De Va pakte zijn geweer,' sprak hij verveeld. 'En richtte het op het konijntje.
'Nee, nee!' gilde Laart en hij schudde woest met zijn hoofd heen en weer. 'Niet doen.'
'Zijn vinger was aan de trekker en de haan bewoog.'
'Neeee!' kermde Laart en zijn lip trilde nog heviger.
'Toen zag de Va dat het konijntje hem aankeek. En het konijntje bleef zitten. En een traantje biggelde over zijn wang.'
Laart barste nu in huilen uit en Addo maande hem tot stilte met de belofte, dat het goed af ging lopen.
'En het traantje biggelde tot aan zijn wollige kinnetje en viel toen in de aarde.'
'Ja. In de aarde,' snifte Laart, terwijl hij zijn ogen afdroogde met zijn baardkapje.
'En op de plek waar het traantje de grond raakte,' vervolgde Addo. 'Groeide ineens een prachtige amandelboom. Vol met rijpe en warme amandelen.'
'Amandelen,' stamelde Laart.
'En de Va bedankte het konijntje en plukte alle amandelen en bracht ze naar zijn vrouw Annie en zijn kinderen Guus en Karlies.'
'Amandelen!' gilde Laart nogmaals.
'En de vrouw en kinderen waren heel blij. En ze richtten een feestmaal aan van de amandelen en ook met spek en ham en kaas dat ze toch nog in de kast hadden, maar per ongeluk over het hoofd hadden gezien.'
Addo zuchtte, terwijl Laart met fonkelende ogen in zijn bed nog enkele woorden lag te herhalen.
'Goed dan ga ik nu maar weer', sprak Addo en hij wilde de kamer verlaten.
'Nee, nee, de laatste zin nog,' gilde Laart.
'Ach Laart, het is zo wel weer mooi geweest,' kreunde Addo, bevangen door moeheid.
'Nee, anders moet u het nog een keer vertellen,' commandeerde Laart.
'Goed,' sprak Addo. 'Wat een vreugd was het bij de Va en Annie en de kinderen Guus en Karlies. Wat waren ze gelukkig. En het konijntje kwam bij hen wonen en ze leefde nog lang en gelukkig.'
Addo verliet snel de kamer waar Laart nog lange tijd ontroerd lag te prevelen.
Stuur door
Dit is niet OK