Op een zeker dag was Laart in het centrum van Uilensteyn een wandeling aan het maken.
'Meneer, kunt u mij de Aluin-zegen opzeggen?', vroeg hij plotseling aan een toevallige passant.
'Pardon', reageerde de man verbaasd. 'De wat?'
'De Aluin-zegen,' antwoordde Laart en hij hief zijn baard.
'I-ik weet niet waar u het over heeft,' sputterde de arme man.
'U weet niet waar ik het over heb,' sprak de kabouter met afkeer in zijn stem, 'Meneer, ik heb het hier wel over de Aluin-zegen.'
De man staarde naar de lucht met zijn vinger aan zijn lip. Er sprak lichte paniek uit zijn blik. 'Nee...,' sprak hij na enige stilte. 'Nee, eerlijk het zegt me niets. De Aluin-zegen ...'
Laart staarde de man met een blik van minachting aan.
'Houdt u mij nu voor het lapje meneer. Ik heb het hier niet over iets bijzonder ingewikkelds. Ik vraag u niet een oplossing voor de hervorming van het politiek systeem te verzinnen. Ik vraag u simpel weg de Aluin-zegen uit te spreken. Iedereen weet toch wat de Aluin-zegen ...'
'Nee het zegt me niets.' De man begon nu geërgerd te worden. 'U bazelt maar wat. Ik heb nog meer te doen.'
De man wilde weg lopen, maar Laart hield hem tegen. 'Waar gaat u zomaar naar toe. Dat is niet zo netjes hè, zomaar weg lopen.'
'Ik heb nog meer...'
'Meneer, ik vraag me sterk af of u hier wel thuis hoort,' sprak Laart ernstig.
'En wat bedoelt u daar nou weer mee.'
'Volgens mij bent u een spion.'
'Een spion, ik, hoe komt u...'
'Als u de Aluin-zegen niet kent, bent u geen Nederlander, dan bent u een vreemdeling.'
'Ach meneer, houdt u toch op met uw Aluin-zegen. Ik ben in Uilensteyn geboren, ik...'
'Hoe heet u?'
'Jan de Wit.'
'Hmm,' sprak Laart, 'Hoe heet uw vader?'
'Piet de Wit, als je het weten wilt en nu...'
'En uw moeder?'
De man maakte een hopeloos gebaar. 'Maartje van Korstenbergen, geboren te...'
'Aha,' gilde Laart, 'Daar heb je het al. Van Korstenbergen, wat een belachelijke naam. Alleen buitenlanders kiezen zo'n naam. Omdat ze de taal niet snappen. Nederlanders zouden nooit...'
'Meneer,' sprak de man nu geërgerd, 'mijn ouders zijn allebei in Uilensteyn geboren. Ze hadden een bakkerij...'
'Ja, u heeft een goede dekmantel weten te creëren. Heel professioneel,' sprak Laart met een afkerig lachje. 'Maar daar trapt Laartje niet in. U komt vanmiddag bij mij een inburgeringcursus volgen.'
'Meneer, ik heb helemaal geen inburgeringcursus nodig, ik...'
'Anders zal ik u helaas het land uit moeten zetten,' sprak Laart koelbloedig en hij pakte de man stevig bij zijn arm.
'Meneer, u- u bent gek,' stotterde de man met het schuim op zijn lippen. 'Ik ben het zat, ik bel de politie.'
'De politie kan u niet meer helpen,' antwoordde Laart ongemoeid. 'Woont u trouwens niet aan het Uilenlaantje nummer 7?'
'I-ik eeh'
'Ik zal u en uw hele familie het land uit moeten zetten. Spionage kunnen we niet tolereren.'
'Meneer, ik...'
'Ik verwacht u vanmiddag om één uur met uw hele familie op het Laartpaleis.'
Die middag ging de bel en Addo deed open. Even later kwam hij met vermoeid gezicht de kamer van Laart binnen.
'Laart er staat een groepje mensen voor de deur. Ze hebben het maar over een inburgeringcursus en een Aluin-zegen.'
'Aha, de spionnen,' kakelde Laart. 'Ik kom er aan.'
'Laart, we zijn hier gekomen om te zeggen dat we het er niet mee eens zijn,' begon Jan de Wit.
'Ik luister,' antwoordde Laart kalmpjes.
'Je hebt niet het recht ons zo te behandelen. Ik vat het voorval van middag op als een belediging en dies meer, een ernstige bedreiging.'
'Jaa', piepte Laart.
'Ja,' ging de Wit verder. 'Mijn neef Wout hier is advocaat en wil even een hartig woordje met u spreken.'
'Kent u de Aluin-zegen', vroeg Laart, die zich nu tot Wout keerde.
'Meneer, de Aluin-zegen is mij onbekend en in het Burgerwetboek wordt nergens gerefereerd naar een dergelijk amendement als zijnde noodzakelijk voor het Nederlands burgerschap.'
'Goed, zullen we dan maar beginnen. Wie hebt u meegebracht?'
'Mijn vrouw Jannie,' sprak de Wit bedeesd, 'En mijn kinderen Bart en Marijke.'
'Goed,' sprak Laart, 'Ik zal de Aluin-zegen voorzeggen.'
'Welverdorie,' viel de Wit nu uit, 'Schei toch uit met die onzin. We komen hier niet voor de Aluin-zegen. U heeft ons bedreigd en we willen hier het één en ander recht zetten of anders zien we elkaar wel in de rechtszaal.'
Laart was even stil en staarde de man verbaasd aan.
'O,' sprak hij, 'Gaan we zo beginnen. Is dit uw dankbaarheid?'
'Dankbaarheid, waarvoor zou ik u dankbaar moeten zijn?'
'Waarvoor zou ik u dankbaar moeten zijn?' piepte Laart. 'Denkt u dat ik de Amersfoortse ben? Ik ga voor u tot het uiterste. In mijn eigen vrije tijd bied ik u een gratis cursus aan. Ik doe dit uit maatschappijbewustzijn. Uit medeburgerschap.'
'Ach houdt u toch op met die schijnheiligheid. Wij hebben hier toch niet om gevraagd.'
'Nee,' sprak Laart, 'Soms vraag je ergens niet om, maar zijn er goede medeburgers die u willen behoeden voor ernstige misstappen. Als ik u zie wegrijden in een auto en het is donker en uw lichten staan niet aan, dan hoor ik u daar toch als rechtschapen burger op attent te maken.'
'Meneer Wenksen, u haalt van alles door elkaar. Deze zaken kunt u niet met elkaar...'
'ALUIN HIER, ALUIN DAAR, ALUIN OVERAL!' schalde de kabouter, 'De Aluin-zegen. Nu u!'
De Wit zuchtte, keek naar de grond, naar Wout en toen naar zijn vrouw en kinderen.
'Aluin hier, aluin daar, aluin overal,' mompelde hij met zichtbare tegenzin. 'Nu tevreden?'
Laart was even stil.
'Tevreden,' sputterde hij, 'Nee, natuurlijk ben ik niet tevreden. Wat is dat nu voor vertoning. U moet het natuurlijk wel menen.'
'Alsjeblieft Laart,' zuchtte de Wit. Hij was ten einde raad. 'Aluin HIER, aluin DAAR, aluin OVERAL!'
'Het begint er al op te lijken,' reageerde de kabouter verrast. 'Nog iets meer volume en intonatie en u bent geslaagd! Nu met zijn allen.'
Jan keek zijn familie terneergeslagen aan. Het was hem duidelijk dat hier geen eer te behalen viel en hij wilde het liefst maar weer zo snel mogelijk naar huis.
'Goed,' zuchtte hij, 'Drie-twee-één...'
'ALUIN HIER, ALUIN DAAR, ALUIN OVERAL!' gilde de familie de Wit. Alleen Wout deed niet mee en sloeg zijn handen ten hemel.
'Prima,' sprak Laart, 'Dan is het nu tijd voor het examen.'
'Examen?' sputterde Jan de Wit tegen. 'Het is toch wel mooi geweest zo?'
'We gaan naar het gemeentehuis om daar de Aluin-zegen uit te spreken en te kijken of het geaccepteerd wordt door de raad.'
'Dit is de druppel Jan, ik ga naar huis,' sprak Wout woedend, en hij vertrok.
Jan zelf had een wazige blik voor zijn ogen en wist niets meer in te brengen. Zijn kinderen en vrouw keken hem angstig aan.
Die avond was er groot nieuws op TV-Uilensteyn.
'Een aanslag op de burgemeester en de gemeenteraad, is ternauwernood voorkomen. Verdachte Jan de W. en zijn vrouw en kinderen drongen rond twee uur de gemeentezaal binnen onder luid gekrijs. Aan het woord hebben we één van de beveiligers die met zijn kordate ingrijpen een drama wist te voorkomen.
'Ik zag een aantal mensen richting de gemeentezaal lopen. Ze keken al wat benauwd uit hun ogen. Er was juist een vergadering bezig, maar ze liepen gewoon naar binnen en begonnen te gillen. Iets met ALLAH HIER, ALLAH DAAR, ALLAH OVERAL.'
Bezorgde medeburger Laart Wenksen was toevallig ook aanwezig in het gemeentehuis, toen het voorval zich voordeed. Hij meende al eerder het idee gehad te hebben dat er iets niet pluis was met de familie de W. en dat ze mogelijk betrokken waren bij spionage of terroristische praktijken.'
Stuur door
Dit is niet OK